Geef een weeskind een thuis; klik hier
Wat kun je doen tegen zinloos geweld; klik
Kijk eerst even naar De Deelnemers
De rolverdeling.
Het speelveld.
De punten.
Het einde van het optreden van een batsman.
De umpires.
De "overs".
De lengte van een wedstrijd.
Een cricketwedstrijd gaat tussen twee elftallen, waarbij een van de twee eerst gaat slaan ("batten") en de ander in het veld gaat staan ("fielden" en "bowlen"). Als alle spelers van de slagpartij een beurt hebben gehad (een "inning") worden de rollen omgedraaid.
Het speelveld is niet aan vaste afmetingen gebonden. In Nederland wordt soms op een voetbalveld gespeeld, maar twee hockeyvelden naast elkaar hebben als extra voordeel dat de speelstrook (de "pitch", meestal een kokosmat op een verharde ondergrond van gravel) daar tussenin kan liggen en 's winters dus niet hoeft te worden opgebroken.
De pitch is ruim twintig meter lang en twee meter breed. Aan weerszijden van deze strook staan de "wickets" opgesteld: twee hekwerkjes, bestaande uit drie paaltjes ("stumps") met daar bovenop twee dwarslatjes ("bails"). Een eindje voor de wickets is een streep getrokken, waarachter de batsman
"in" is; zo gauw hij er buiten is, kan hij "uit" gaan.
Van de slagpartij staan er altijd twee batsmen in het veld, die de paaltjes verdedigen.
De slagpartij probeert zoveel mogelijk punten ("runs") te scoren. De batsman die aan het zogenaamde levende wicket staat, dat waarop wordt gebowld, slaagt daarin als hij de hem toegeworpen bal met zijn "bat" het veld instaat en vervolgens naar het andere wicket rent. Telkens als hij en zijn collega-batsman elkaar kruisen en tijdig de overkant bereiken, dan scoren zij een run. Wordt een bal zo hard geslagen dat hij over de grond het veld uitrolt, dan hoeven de batsmen niet te lopen en verdienen ze letterlijk in één klap vier runs. Wie de bal door de lucht buiten het speelterrein slaat, heeft zes runs verdiend.
Een batsman moet zijn beurt afstaan als hij door de veldpartij "uit" is gemaakt. Deze "fielders" hebben daarvoor elf manieren tot hun beschikking, waarvan er vier regelmatig voorkomen:

   * Een slag kan worden gevangen ("caught"); ook de bowler zelf en de wicketkeeper mogen dat doen.
   * Het wicket wordt geraakt en de bails vallen neer ("bowled")
   * Het wicket van de batsman is met de bal verstoord terwijl hij na een run nog niet in zijn hok is en is dan "run out
"Leg Before Wicket" LBW: de bal raakt het been van de batsman. Als de umpire van mening is dat de bal het wicket zou hebben geraakt als het been er niet had gestaan, dan beslist hij dat de batsman uit is. Hij beslist dit echter alleen als door de fieldende partij daarom gevraagd wordt. Dit wordt meestal gevraagd door hard te brullen " How's that?".
Met de LBW-regel wordt meteen de belangrijke rol van de twee umpires bij een cricketwedstrijd duidelijk. Hoewel het duo een toezichthoudende taak heeft, kunnen ze (op appel) doorslaggevende beslissingen nemen. Met behulp van armgebaren (seinen) houden ze contact met de "scorers" langs de kant die het wedstrijdverloop bal voor bal moeten optekenen.
De umpires houden de "overs" bij: een over staat voor zes ballen die een bowler achter elkaar mag gooien, waarna een teamgenoot aan de andere kant van de pitch hetzelfde doet. Bij het wisselen van de over veranderen ook de fielders van plaats; de wicketkeeper loopt naar het andere wicket. Ook de umpires veranderen van positie.
In Nederland worden 50 overs gebowled. Iedere slagpartij heeft dus 300 ballen tot zijn beschikking om zoveel mogelijk runs te scoren. Om de invloed van goede buitenlandse spelers wat te beperken, is hier ook besloten dat iedere werper maximaal 10 overs mag bowlen. Ieder team moet dus over minimaal 5 goede bowlers beschikken.
Kijk ook even naar het speelveld